© Loge Thorhem 2008 Doorn | e-mail:informatie@thorhem.nl | Telefoon 0343-520572
  • Home
  • Onze Loge
  • Thorhem
  • Vrijmetselarij
  • Veel gestelde vragen
  • De Orde
  • Links
  • Bijeenkomsten
  • Arbeidstafel
  • Leden
  • Contact
  • 50 jaar Thorhem
    1959 - 2009

Wat willen vrijmetselaren nu eigenlijk? 
In principe willen ze eigenlijk een gezellige club zijn van mensen die wat meer diepgang zoeken in het leven. Ze willen een vriendenclub zijn, waar het mogelijk is volledig open met elkaar over van alles en nog wat te praten. Maar wel met een paar heel duidelijke uitgangspunten; je kunt je er alleen maar thuis voelen als er een gemeenschappelijke erkenning is van: de hoge waarde van de menselijke persoonlijkheid; ieders recht zelfstandig te zoeken naar waarheid; de verantwoordelijkheid voor eigen doen en laten; de gelijkwaardigheid van alle mensen; de algemene broederschap van alle mensen; de plicht om te werken aan het welzijn van de gemeenschap. Als iedere vrijmetselaar deze verplichtingen voor zichzelf waarmaakt komt de betere wereld vanzelf. Het gaat er dus primair om dat ieder logelid zelf werkt aan het ‘beter mens zijn’ van zichzelf, niet van anderen, nee, van zichzelf. Niet in de zin van een beter mens te zijn dan een ander, nee, beter mens te zijn dan hij gisteren was. De vrijmetselaar zoekt in zichzelf en in zijn relatie met anderen naar mogelijkheden om te versterken wat mensen verbindt en probeert weg te nemen wat mensen scheidt. Dat veronderstelt een levenshouding van tolerantie en van begrip voor elkaar. Dat vraagt om het afwijzen van totalitaire opvattingen en van dogmatisme.

Waar en wanneer is de vrijmetselarij begonnen?

Deze vraag is moeilijk precies te beantwoorden, want er is geen officiële geschiedenis van de vrijmetselarij. Toch wordt in alle geschiedenisboeken het jaar 1717 aangegeven als startdatum. Een viertal Londense loges kwamen toen op 24 juni (de naamdag van Johannes de Doper) en besloten een overkoepelende organisatie op te zetten, de eerste z.g. Grootloge. Met die eerste Grootloge is de ontwikkeling van de huidige vrijmetselarij wereldwijd van start gegaan.

Er waren dus al loges vóór die tijd ?

Hoewel er weinig gedocumenteerd bewijs is zijn er zo’n 100 documenten vanaf 1380 bewaard gebleven die gewag maken van het bestaan van bouwloges. Het betreft reglementen en informatie over gebruiken en organisatie, zowel in Engeland als in Schotland.

Waar komt het woord ‘Loge’ vandaan?

In het middeleeuwse Europa kende men het gildesysteem. Handwerkslieden die eenzelfde vak beoefenden waren lid van een gilde, een vakgemeenschap. Zo waren er bakkersgilden, slagersgilden, weversgilden, pottenbakkersgilden, timmerliedengilden, loodgietergilden etc. Per stad was er meestal van één vakgroep maar één gilde. Deze gilden bepaalden zelf de toelatingseisen en de mate van vereiste vakbekwaamheid; die waren vaak niet mis. Er waren overigens géén bouwgilden, althans niet van lieden die bouwden met steen, die metselden. Bedenk dat in deze tijd gebouwen, huizen etc. vrijwel uitsluitend in hout werden gebouwd. De enige –vaak kolossale- gebouwen die in steen werden gebouwd waren kastelen, forten, vestingen, kerken en kathedralen. Wanneer een gebouw, bijvoorbeeld een kathedraal, gebouwd moest worden ging de opdrachtgever naar een aantal meester-bouwers. Die organiseerden zich in een ‘bouwcorporatie’, een organisatie per bouwwerk, per project. Deze bouwcorporatie koos uit haar midden een voorzitter, de bouwmeester. Deze bouwmeester begon ieder project met het opzetten van een bouwhut, een werkplaats, de lodge. Daar werd vergaderd en daar stonden de tekenborden. Het woord loge is een direct afgeleide van dat Engelse woord lodge. Het is dus een aanduiding van de plaats waar de meesterbouwers bij elkaar kwamen en waar zij bespraken hoe de bouw voortgang moest vinden. naar verloop van tijd werd de benaming lodge of loge ook de aanduiding van de groep zelf. Deze bouwcorporaties hadden een interne structuur die veelal was overgenomen van het bestaande gildesysteem. Met een voorzitter, penningmeester, secretaris; maar ook met een kennisgradensysteem van leerling, gezel en meester. Gilden waren besloten verenigingen. Uit oude documenten blijkt ook de beslotenheid van deze bouwloges, met hun reglementen voor meesters, gezellen en leerlingen, hun toelatingsceremonie en de plechtige eed die nieuwe leden dienden af te leggen. De lodge bood de leden ook de gelegenheid om in een sfeer van vertrouwelijkheid over allerlei andere zaken met elkaar van gedachten te wisselen zonder direct in botsing te komen met de gevestigde orde van kerk en staat. Als we kijken naar de Kathedraal van Chartres, de Notre Dame, de Dom van Keulen, Westminster Abbey, om maar een paar bouwwerken te noemen, moeten we vaststellen dat de bouwers een geweldige kennis hebben gehad. Niet alleen van geometrie, rekenkunde en bouwkunde, maar ook van bijvoorbeeld akoestiek en van theologie.

Hoe kwamen ze aan die kennis en hoe gaven ze die kennis door?

Die bouwers moesten meesters zijn op het gebied van wat toen de zeven schone kunsten heetten; geometrica, mathematica, astronomica, retorica, grammatica, filosofia en musica. De noodzakelijke kennis werd verkregen door levenslang te studeren en door voortdurende kennisoverdracht aan leerlingen en gezellen. De meeste grote kathedralen in Europa werden gebouwd in de 12e en 13e eeuw. De kennisoverdracht ging mondeling; tot in de 15e eeuw bestond geen boekdrukkunst. De loge of lodge werd een soort academie, een leerschool, een plaats waar men opgroeide en zich ontwikkelde van leerling tot meester. Hierbij dient overigens bedacht te worden dat de bouw van sommige projecten soms 50 tot zelfs wel 100 jaar duurde. De bouwduur van de Notre Dame te Parijs bedroeg bijna 200 jaar (1163 1345). Het waren die meesterbouwers, wij zouden ze tegenwoordig vandaag architecten noemen, die de top van de bouwlodes vormden. Je moest al heel goed zijn in je vak om tot leerling bij een meester, en dus de lodge, te worden aangenomen. Minimaal zeven jaar was je leerling om vervolgens mogelijk tot 'gezel' bevorderd te worden. Daarna moest je je verder bekwamen in alle aspecten van het vak. Als afronding van de studie volgde een examen in de vorm van het presenteren van een zgn. meesterwerk. Als de andere meesterbouwers dat goed genoeg vonden werd je uiteindelijk zelf meester.

Ik kan me nu iets voorstellen van het begrip ‘metselaar’ in die tijd, maar hoe werd dat tot vrij metselaar?

Helemaal duidelijk maakt de geschiedenis dit niet. Er zijn twee versies. De ene zegt dat het oorspronkelijke Engelse woord freemason is afgeleid van freestone mason; freestone was het soort kalkzandsteen waarmee vroeger veel werd gebouwd. De andere, en meer waarschijnlijke, verklaring ligt in het feit dat de meeste mensen in de vroege middeleeuwen niet vrij waren. Ze waren lijfeigene of horige, of zodanig aan een staat, stad of kerk gebonden dat ze toestemming nodig hadden om te reizen of te verhuizen. De meesters met hun leerlingen en gezellen, die we verder bouwers zullen noemen, waren daarentegen volkomen vrij daar te werken waar werk was; een kerk hier, een kasteel daar. Ze waren vrij om te gaan en staan waar ze wilden; ze waren free-stonemasons. Heel Europa was hun werkterrein . In zo'n bouwcorporatie, zo'n lodge, werkten dus bouwers uit verschillende taalgebieden, uit uiteenlopende culturen, met andere godsdiensten. Eén taal hadden ze gemeen, dat was de taal van de bouwtekening. Zoals vandaag de dag nog iedere vakman een constructietekening kan lezen, onafhankelijk van de taal die hij spreekt, of het land waar hij vandaan komt. Juist door die multiculturele samenstelling van de bouwloges groeide daarbinnen een grote mate van tolerantie voor elkaars mening, inzicht, kennis en opvattingen. In een tijd waarin de Kerk èn de Inquisitie uiterst machtig waren en politieke en religieuze onverdraagzaamheid al snel leidde tot vervolging en oorlog was dit uitzonderlijk.

Hoe is uit die toch wel erg technische ‘vrijmetsel lodge’ de nu bekende vrijmetselarij ontstaan?

De bouwersloges genoten in hun tijd groot aanzien. Buiten deze lodges was er eigenlijk maar één plaats waar aan wetenschap en aan het verkrijgen van kennis werd gedaan; dat waren de kloosterorden. Wetenschap was voorbehouden aan de geestelijkheid en aan een klein aantal universiteiten. Dit duurde tot het begin van de Renaissance (de 15e eeuw). In de jaren 1400 tot 1600 kwam er een doorbraak in die zin dat wetenschapsbeoefening zich ook buiten de kloosterorden ging ontwikkelen. Wetenschappers zochten naar een plaats, een forum, waar ze vrij met elkaar van gedachten konden wisselen. In een tolerante omgeving, vrij van politieke of religieuze pressie. Ze vonden die al vanaf ± 1400 in de toenmalige bouwloges. Deze lodges lieten niet bouwers in hun gelederen toe zodat binnen de lodge een mengvorm ontstond van 'speculatieve vrijmetselaren' en van 'operatieve vrijmetselaren'. Dit nam zo'n vlucht dat uiteindelijk rond 1700 de 'speculatieve vrijmetselaren' de overhand kregen Speculatief heeft de betekenis van beschouwend of bespiegelend.

Welke relatie was er met de oorspronkelijke bouwers in de lodges?

Zoals reeds opgemerkt waren de meesterbouwers op de hoogte van alle toen bekende takken van wetenschap. Behalve dat ze moesten kunnen rekenen en tekenen waren ze ook onderlegd in filosofie en theologie. Maar ook in schilderkunst en beeldhouwkunst. Je zou dus kunnen zeggen dat de bouwers van die tijd generalisten waren; ze hadden kennis in de breedte, ze wisten van alles iets (en meer). Voor hen was het uitwisselen van gedachten met specialisten, met mensen die kennis in de diepte vergaarden, alleen maar leerzaam. Naar verloop van tijd werden in de loges de gesprekken filosofischer van aard; niet alleen de vraag hóe te bouwen werd gesteld, maar ook waaròm we een gebouw bouwen. De stap naar de vraag hoe we een betere wereldbouwen is dan niet meer zo groot. In de loop van de 17e eeuw ontwikkelde zich uit de bouwbeschouwing een levensbouw beschouwing en vervolgens een levensbeschouwing. Met de toevloed van niet bouwers binnen de lodges ging de oorspronkelijke relatie met het eigenlijke bouwwerk steeds meer verloren en ging men zich richten op een denkbeeldig bouwwerk. Dat werd de denkbeeldige ‘tempel der mensheid’. Die werd symbolisch voorgesteld door het enige gebouw dat uitvoerig in de Bijbel werd beschrevenen en reeds in de oudheid als een ultiem bouwwerk gold; de tempel van koning Salomo. Vanaf ± 1600 waren vrijwel alle grote wetenschappers, kunstenaars, filosofen, en niet te vergeten de hogere adel lid van deze loges. Mensen als bij voorbeeld lsaac Newton, Robert Burns en Sir Christopher Wren (de architect van de St. Pauls Cathedral). Deze mensen waren op hun beurt weer de grondleggers van de Royal Society of Science (d.d. 1660).

Rond 1700 waren de oorspronkelijke bouwloges dus feitelijk overgenomen door niet bouwers. Wat gebeurde er daarna?

 Vier Londense loges besloten in 1717 tot een soort overkoepelende organisatie; de Engelse Grootloge. In 1723 stelde de Schotse predikant James Anderson het constitutieboek op met daarin de zgn. ‘Oude Plichten’. Deze plichten vormden de leidraad voor het onderlinge gedrag. Zij zijn wat inhoud en strekking betreft vandaag nog steeds van kracht. Vanaf die tijd verspreidde de vrijmetselarij zich als een olievlek over Europa en de Engelse overzeese gebiedsdelen (Amerika, Australië, Nieuw Zeeland, Canada). In Frankrijk werden de eerste loges gevormd in 1725, in Nederland in 1734, in Duitsland in 1737, etc. Juist door het toetreden van niet bouwers tot de loges kregen de bespiegelende en beschouwende elementen steeds meer de overhand. Begrippen uit het oude ambacht werden op den duur voornamelijk symbolisch gehanteerd. De edele kunst van de kathedraalbouw werd getransformeerd tot het symbolisch bouwen aan een onzichtbare tempel, waarvoor de tempel van Salomo als voorbeeld diende. De legende die de basis vormde voor het ritueel waarin deze bouw werd gesymboliseerd, was ontleend aan het Oude Testament. Daarin wordt vermeld dat Hiram Abiff door koning Salomo tot bouwmeester was aangesteld. Aan de onzichtbare tempel der mensheid kon echter alleen worden gebouwd als te werk werd gegaan naar het bouwplan van de Opperbouwmeester des Heelals. Hierin ligt het religieuze beginsel van de vrijmetselarij besloten; de vrijmetselaar gelooft in de relatie van de mens tot oorsprong en doel van al het bestaande. Hij ziet wereld en leven als een te voltooien bouwwerk. Nieuwe leden van een lodge of loge moesten een plechtige eed afleggen.

Is dat vandaag de dag nog het geval?

In het verleden legden de nieuwe leden een eed of belofte af waarin ze beloofden dat ze zich zouden houden aan bepaalde gedragsregels, zowel binnen de loge als in de maatschappij. Zo'n eed of belofte is te vergelijken met die men aflegt voor een rechtbank of bij de officiersbenoeming in het leger. En ja, dat is tot op de dag van vandaag het geval.

Moet het nieuwe lid daarbij ook geheimhouding beloven?

 Geheimhouding is een groot woord, maar inderdaad wordt beloofd dat alles wat binnen een loge wordt gezegd of gedaan vertrouwelijk zal worden behandeld. Dit is een deel van de oude traditie. In de tijd dat de loges werden gevormd, zeg maar van de 15e tot de 18e eeuw, was de Inquisitie zeer machtig. Zij was zondermeer levensbedreigend voor mensen met een mening die afweek van de alom gevestigde. In de loges van weleer vonden veel vrijdenkers een plaats. Het was puur lijfsbehoud dat logeleden aan elkaar beloofden om interne gesprekken vertrouwelijk te houden. Verder terug in de tijd reisden de bouwers van weleer van bouwwerk naar bouwwerk. Als ze lid waren van een loge waren ze per definitie ook welkom in andere loges. Maar dan moesten ze wel kunnen aantonen dat ze leerling, gezel of meester waren. Daarvoor werden bepaalde paswoorden en tekens gebruikt. Uiteraard der zaak waren die geheim. Vandaag de dag overigens zijn ze in iedere bibliotheek of op internet te vinden en is van dat zogenaamde geheim weinig meer over. We zijn nu aangekomen bij de moderne vrijmetselarij. Er wordt nog steeds veel gebruik gemaakt van symboliek.

Waarom is dat noodzakelijk en wat is het doel?

Symbolen zijn een beeld, een verbeelding, een uitbeelding van iets onzichtbaars. Zij drukken uit wat niet op een andere wijze kan worden gezegd of ervaren. Woorden zijn immers vaak ontoereikend om iets zinnebeeldigs te duiden. Denk aan liefde, aan geluk, geestelijke kracht, rechtschapenheid, aan iets dat je beleeft.. Als we zouden proberen dit soort begrippen in woorden uit te drukken schieten we al gauw te kort. Al snel komen we ook op het vlak van persoonlijke interpretatie. Voor vrijmetselaren biedt hun symboliek een gemeenschappelijke taal. Die wordt overal verstaan, waar ook ter wereld ze elkaar ontmoeten. Terwijl geschreven of gesproken woorden misverstanden kunnen oproepen of conflicten kunnen veroorzaken, schept de gemeenschappelijke symbolentaal eenheid tussen mensen, ongeacht hun verschillende maatschappelijke achtergronden, opvattingen en karakters. Symbolen maken begrippen bespreekbaar waaraan verschillende mensen verschillende betekenissen hechten. Denk bij voorbeeld aan het in de vrijmetselarij gehanteerde symbolische beginsel van de Opperbouwmeester des Heelals. Vrijmetselaren geven aan dit beginsel ieder hun eigen persoonlijke inhoud. Overigens is het gebruik van symbolen niet zo uitzonderlijk. Alleen zijn veel mensen zich daar niet van bewust of ze zijn de oorspronkelijke betekenis van die symboliek vergeten

Moeten we daarbij denken aan symbolen als het kruis op en in de kerk, aan een trouwring, de nationale vlag, een handdruk, aan ceremoniële handelingen bij geboorte, huwelijk en begrafenis ?

Ja, dat zijn inderdaad enkele voorbeelden. Neem een huwelijksvoltrekking. De bruid is in het wit, de bruidegom in het zwart (waarom?). De bruid loopt links van haar vader naar binnen en rechts van de bruidegom naar buiten (waarom?). De bruid heeft een sluier (waarom?). De bruid wordt door de vader weggegeven (waarom de bruidegom niet?). Er zijn bruidsmeisjes en jonkers (waarom?). Er wordt een ring aan een bepaalde vinger van een bepaalde hand geschoven (waarom?). Die ring is van goud (waarom?). Er wordt rijst gestrooid over het kersverse bruidspaar (waarom?). Er worden rammelende blikjes aan de auto gehangen (waarom?). Hier vragen we al negen keer naar het waarom. Dit wordt vaak afgedaan met 'dat is nu eenmaal traditie'. Maar als we echt in de diepte van de symboliek gaan komen we een heel scala aan voorchristelijk religieuze en vruchtbaarheidsriten tegen (tot en met het verjagen van demonen toe). Gewoonlijk is het mensen te veel om daar echt op in te gaan. Vrijmetselaars willen symbolen als deze wel doorgronden, begrijpen en doorleven, ieder op zijn persoonlijke wijze.

De vrijmetselarij maakt specifiek gebruik van bouw en lichtsymboliek, is dat ook traditie?

Zeker is dat traditie. Maar het is ook een bewuste keuze omdat deze symboliek zo oud is als de mensheid zelf. De bouwsymboliek waar de vrijmetselaar zich van bedient is een directe erfenis van de ambachtelijke loges uit de middeleeuwen. De vrijmetselaar ziet leven en samenleving als een te voltooien bouwwerk. Hij heeft zich tot taak gesteld de ruwe steen, die hijzelf is, te bewerken tot een kubieke steen die in dat bouwwerk van levende stenen past. Passer en winkelhaak zijn in dat verband belangrijke symbolen. De passer wordt verbonden met de gedachte aan maat geven, aan scheppen, afpassen. In de winkelhaak met zijn rechte hoek ziet hij zijn opdracht verzinnebeeld om te streven naar een zuivere relatie, een ‘rechte verhouding’ in vrijmetselaarstaal, tot de Opperbouwmeester des Heelals en tot de medemens. Het symbolische beginsel ‘Opperbouwmeester des Heelals’ vertegenwoordigt voor de vrijmetselaar de scheppende kracht in de kosmos, de oorsprong en bestemming van wat was, wat is en wat komt. Naast passer en winkelhaak hebben schootsvel, waterpas, hamer, beitel en maatstok elk een eigen symbolische betekenis.

Naast de bouwsymboliek kent de vrijmetselarij ook elementen uit de lichtsymboliek. Zij is daarin bepaald niet de enige geestelijke stroming die dat doet. Of wel ?

Nee, dat is helemaal juist. Door de eeuwen heen werden mensen die zich met geestelijke waarden bezighielden, geboeid en geïnspireerd door de tegenstelling tussen licht en duisternis. In de loge ligt een vloer van lichte en donkere vierkanten, als zinnebeeld van die tegenstelling. Maar je kunt die ook in veel kathedralen aanreffen. In de loge ligt de Bijbel. Een loge is niet ‘geopend’ als de Bijbel niet is geopend. In Nederland is die Bijbel opengeslagen bij het Johannes Evangelie omdat daar nadrukkelijk wordt verwezen naar de betekenis van het licht dat ook in de duisternis schijnt. In andere landen kan overigens een ander heilig of maatgevend boek worden gehanteerd, dan ligt dát boek open. Dat kan bij voorbeeld de Thora zijn, de Koran of de Veda’s. Deze boeken zijn, net als de Bijbel, ook zelf weer symbolen; symbolen voor het ‘boek der heilige wet’, symbool voor het geweten van de mens zelf. Die symboliek wordt gebruikt in specifieke ceremoniële bijeenkomsten met een ritueel karakter. Kerken kennen ook tal van rituelen.

Wat is er specifiek aan de vrijmetselaarsrituelen?

Zoals de kerk bij de overgang naar een volgende levensfase sacramenten kent, zo kent ook de vrijmetselarij een aantal rituelen. Deze zijn voortgekomen uit de vroegere bouwloges. Er bestaan afzonderlijke rituelen voor de leerling, voor de gezel en voor de meester. Elk met een eigen indringende persoonlijke boodschap. Zo'n ritueel bestaat uit een samenspraak tussen de voorzitter en een aantal leden van de loge en uit daartoe behorende handelingen. De leerling krijgt de boodschap te werken aan zichzelf; hij moet zichzelf leren kennen. De gezel krijgt de boodschap te werken aan en voor de medemens. De meester krijgt de boodschap dat hij nooit klaar zal zijn met het leren en studeren op de diepere waarden van het leven. Het is een ernstig spel, een gedramatiseerd gebeuren in drie bedrijven. Behalve de rituelen van aanneming tot leerling, de bevordering tot gezel en de verheffing tot meester, kent de loge nog een aantal andere rituele plechtigheden. Er is een ritueel voor de aanvang van het verenigingsjaar (dat loopt van september tot en met juni). Verder zijn er rituelen als de loge de feesten viert van de beide schutspatronen van de vrijmetselarij, Johannes de Doper en Johannes de Evangelist. De eerste getuigde van het Licht dat komen zal, de tweede van het Licht dat gekomen is. Johannes de Doper wordt op zijn naamdag in de zomer herdacht, wanneer de zon haar hoogste stand heeft bereikt. Bij die gelegenheid wordt het verenigingsjaar gesloten. Het feest van Johannes de Evangelist wordt in december gevierd, wanneer de dag kort en het zonlicht zwak is.

Die rituele plechtigheden zijn niet toegankelijk voor buitenstaanders. Waarom is dat?

Is de vrijmetselarij dan toch een geheim genootschap? De diepe betekenis zou een buitenstaander grotendeels ontgaan. Voor de deelnemer die in zo'n plechtigheid de centrale figuur is, is het een volstrekt nieuwe ervaring zijn die hij ondergaat. Ten tweede geldt dat zij die de plechtigheid bijwonen, daarin betrokken worden. Zij spelen het spel mee, herbeleven eerdere ervaringen, en voegen daaraan nieuwe indrukken toe. Het ritueel is naar haar aard geen kijkspel voor toeschouwers.

Is het nu zo moeilijk uit te leggen wat in zo'n ritueel drama wordt ervaren, wat er gebeurt? Is dat nu het veelgehoorde ‘geheim van de vrijmetselarij’?

Ja, dat is eigenlijk onmogelijk. Je moet het meemaken; je moet het zelf hebben ervaren om het te kunnen begrijpen. Je kunt het dus alleen uitleggen aan iemand die het óók heeft meegemaakt en ervaren. Die ervaring is heel persoonlijk en voor ieder ook weer volledig anders. Geen mens is gelijk en dus is geen ervaring gelijk. De diepe persoonlijke ervaring, de beleving van een ritueel waar jezelf het middelpunt van bent, dat is wat wel het geheim van de vrijmetselarij genoemd. Je wilt het misschien wel uitleggen maar je kunt het niet. Woorden schieten daarvoor tekort, woorden doen er onrecht aan. Het wordt wel eens vergeleken met een poging uit te leggen hoe een roos ruikt of eruit ziet aan iemand die nog nooit een roos heeft geroken of er een heeft gezien. De tekst van de rituelen is tegenwoordig in iedere winkel voor tweedehands boeken te krijgen. In vele bibliotheken zijn ze ook te vinden. Om over internet nog maar te zwijgen. Maar een buitenstaander die die tekst leest zal er niet veel aan hebben. Het is net zoiets als het lezen van de menukaart van een restaurant; pas als je er gaat eten, proef je de gerechten. Dan ervaar je het. Die rituelen lijken heel godsdienstig, de Bijbel ligt open, men viert de feesten van Johannes de Doper en Johannes de Evangelist.

Wat is dan het verschil met een kerk?

Vrijmetselarij is niet godsdienstig, maar wel religieus. Het symbool dat functioneert als persoonlijk richtpunt voor allen noemen vrijmetselaren ‘de Opperbouwmeester des Heelals’. Daar staat niets, maar toch staat er alles. Je kunt er letterlijk alle kanten mee op. leder religieus denkend mens mag daar een eigen inhoud aan geven. Of het nu een Christen is of een Moslim, een Jood, een Boeddhist, of iemand voor wie de godsvoorstellingen van de traditionele religies niet meer functioneren. De vrijmetselaar gaat er van uit dat het ieders recht is zelfstandig te zoeken naar waarheid. De leden stellen zichzelf en elkaar de ultieme vragen van leven en dood. Waar komen we vandaan, waar zijn we, waar gaan we naar toe, waartoe zijn we hier op aarde, hoe kunnen we op de beste wijze mens zijn. Dat zijn heel religieuze vragen, waar een ieder volgens eigen geweten invulling aan kan geven. Vrijmetselarij is dus religieus, maar bepaald geen religie. Een kerk of een sekte is het al helemaal niet. Een kerk weet, daarop zijn geloofsartikelen gebaseerd, een vrijmetselaar vraagt. Een kerk heeft een standpunt, een vrijmetselaar zoekt. Vrijmetselaren zijn al of niet lid van een kerkgenootschap. Alleen hij die meent de wijsheid in pacht te hebben kan in de loge niets vinden. Hij zoekt niet, hij is uitgezocht. Het zoeken van de vrijmetselaar is een doel op zich. Het gaat om het reizen, niet om het aankomen. Een vrijmetselaar zal ten aanzien van de levensvragen nooit zeggen dat hij de waarheid kent of dat hij gelijk heeft. Altijd zal hij zijn mening en inzichten blijven vergelijken met die van anderen. Tenminste in de loge, want zo wordt daar gewerkt. Anders dus dan bij godsdiensten. Daar is alles tot op de bodem uitgezocht; misschien zijn er daarom zoveel verschillende godsdiensten. leder vrijmetselaar geeft zijn eigen invulling aan het religieuze aspect van de loge. Dat lijkt nogal vrijblijvend en vaag. Jazeker. Maar ook is dat nu juist de charme; zelfstandig zoeken om het begrip ‘Opperbouwmeester des Heelals’ voor jezelf meer inhoud te geven, in de wetenschap het mysterie nooit echt te zullen doorgronden. De vrijmetselaar is iemand die blijft proberen er steeds dichter bij te komen. Door met elkaar te praten, door verschillende inzichten te bekijken en met elkaar te vergelijken. Zonder dat dit ooit ontaardt in een discussie op het scherp van de snede.

Toch zijn er een aantal landen waar vrijmetselarij verboden is. Ook veel kerken hadden en hebben er niet veel mee op. Hoe kan dat?

Ja, dat is allemaal waar. Maar je zou dat eigenlijk aan deze organisaties zelf moeten vragen. Waarschijnlijk hebben ze een volledig verwrongen beeld van de vrijmetselarij. In ieder geval speelt een rol dat vrijmetselaren -bijna per definitie- vrijdenkers zijn; ze bepalen zelf hoe en in welke vorm ze maatschappij en religie benaderen. leder vorm van dictatuur of leerstelligheid is hen vreemd. Vanuit die optiek is het wel te begrijpen dat dictatoriale landen en dogmatische religies niet veel op hebben met de vrijmetselarij.

In de maatschappij zijn het veelal politiek en godsdienst die conflicten en strijd veroorzaken. Hoe wordt daarmee omgegaan in de loge?

Eigenlijk heel eenvoudig. Die onderwerpen worden bewust vermeden als ze aanleiding kunnen geven tot een twistgesprek. De vrijmetselarij heeft geen ideologie, geen voorkeur voor ras, godsdienst of welk politiek systeem dan ook. Iedere ‘vrije man van goede naam’ kan lid zijn zonder de eigen overtuigingen prijs te hoeven geven. Deze gedragslijn stamt al uit de tijd van de eerste Engelse loges van rond 1717. Die hadden bittere ervaringen met de toenmalige godsdiensttwisten; ze hadden geen enkele behoefte aan geladen discussies over controversiële onderwerpen. Deze eis is nu nog steeds van kracht. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat het bespreken van actuele onderwerpen taboe is, integendeel. Onderwerpen van algemeen maatschappelijk belang komen wel degelijk aan de orde, maar vooral in informatieve zin. Het gaat er dan om inzichten en opvattingen uit te wisselen zonder de ander te willen overtuigen, laat staan om een soort debat aan te gaan met winnaars en verliezers.

Maar in de media is wel degelijk sprake van ‘de vrijmetselarij’ die regelmatig op de barricaden klom, als het ging om politieke of maatschappelijke veranderingen. Hoe is dat te rijmen?

 Het is een taai misverstand dat ‘de vrijmetselarij’ als organisatie een mening heeft of die uitdraagt. Dat is pertinent niet het geval. Individuele leden doen dat echter des te meer; die komen op voor de eigen verantwoordelijkheid. Maar dat doen ze altijd individueel, en nooit als collectief. in bepaalde perioden van de geschiedenis werd het logeleven in een aantal landen door nieuwe opvattingen over samenleving en staatsvorm beïnvloed. Ook omgekeerd zijn in sommige landen van de vrijmetselarij humaniserende en democratische stimulansen uitgegaan. Maar in het algemeen gebeurde dat toch vrijwel uitsluitend door individuele leden die op persoonlijke titel handelden. Vooral in de 18e en 19e eeuw waren nogal wat politiek invloedrijke mannen lid van een loge. Waarschijnlijk werd met hun acties voor de buitenwacht ook de loge meegesleept in de publiciteit.

In het buitenland wordt de vrijmetselarij nogal eens genoemd in verband met charitatieve instellingen. Hoe ligt dat in Nederland?

Vrijmetselaren zijn in heden en verleden actief op charitatief en algemeen maatschappelijk terrein. Vooral in Amerika en Engeland zijn de activiteiten opmerkelijk; het is daar nog steeds gebruikelijk dat loges een charitatieve instelling adopteren en daar bij de leden van de loge geld voor inzamelen. Ook in Nederland zijn veel voorbeelden van charitatieve betrokkenheid, zij het dat de activiteiten vooral afkomstig zijn van individuele leden. Zo hebben vrijmetselaren in het verleden actief bijgedragen aan de oprichting van instellingen als de Maatschappij tot Nut van het Algemeen, instituten voor onderwijs aan blinden en doofstommen, de Vereniging Pro Juventute, om er maar enkele te noemen. Ook tegenwoordig wordt nog veel werk en geld ingezet voor goede doelen maar daar wordt door de loges publicitair geen aandacht aan gegeven.